Een echt zonnige dag. Zo eentje waarop iedereen -die daartoe in staat is- ‘even naar buiten gaat’.
Binnenblijven voelt dan meteen als een soort karakterfout. En daar ben ik gevoelig voor.
Normaal los ik dat op door in mijn eigen tuin te gaan zitten.
Alleen: mijn huis wordt momenteel verduurzaamd. Dat klinkt goed, maar betekent concreet dat er
zeven balen piepschuim in mijn tuin liggen die op onbekende termijn tegen mijn muren worden
geplakt.
Dus op dit moment lijkt mijn tuin vooral op zo’n indoor speeltuin, maar dan voor aannemers.
Gebukt onder de zon en haar sociale druk liep ik naar het Sarphatipark.
Ik was niet de enige.
Het werd daarom het bankje op het hondenveldje.
Zonder hond weliswaar. En dat voelt dan toch een beetje alsof je op een verjaardag aankomt zonder
een cadeautje. Je bent er wel, maar niet helemaal volgens de bedoeling.
“Mooi, hè?” zei de man naast me.
“Jazeker,” zei ik. Ik wist niet precies wat ik bevestigde, maar het voelde veilig.
Zijn hond lag onder het bankje.
“Hij vindt het heerlijk, die hitte,” zei hij.
Dat leek me een optimistische interpretatie van wat ik zag, namelijk een soort gesmolten dessert.
“Hij heet Dora.”
“Naar mijn overleden vrouw.”
Dat is zo’n moment waarop een gesprek ineens van categorie verandert. Ik keek naar Dora. Dora
keek terug. Eén oog. Kort. We waren het eens.
"Adorable," zei ik, trots op mijn eigen spitsvondigheid.
Aan de andere kant van het bankje stond een vrouw iets te driftig haar hond te roepen.
“Hachi!”
Mijn bankgenoot zei: “Gezondheid,” en gaf me een vette knipoog waar alleen senioren nog mee weg
lijken te komen. Ik mocht deze man.
“Welke is van jou?” vervolgde hij.
“Oh. Geen één. Ik heb een kat.”
“Ik zie ’m niet!”
Dat leek mij logisch, aangezien we op een hondenspeelveld zaten.
“Nee, die is thuis,” zei ik.
Ik voelde me direct schuldig. Híj́ zat daar natuurlijk in een steeds duurzamer wordend huis tussen de
joelende bouwvakkers in hun piepschuim ballenbak.
“Hachi! Hier komme!” blafte de vrouw opnieuw.
Dit keer in mijn oor.
“Normaal komt hij wel, hoor!" zei ze en keerde zich vurig richting mij.
“Hij reageert op energie.”
Ik had geen idee waarom ze mij er bij betrok, maar ik had toch niks anders te doen.
“Van wie?” vroeg ik dus maar.
“Van jou ook.”
Dat vond ik ambitieus. Ik zat daar gewoon.
“Betweter.” fluisterde mijn nieuwe beste vriend.
“Weet je, meissie,” zei hij daarna, “ik liep hier altijd met mijn vrouw. ’s Avonds. Even een rondje. Na
een film bij Rialto. Of eten bij vrienden. Vaak gingen we dan toch nog wat drinken. Saampies”
Hij viel stil.
Het was me duidelijk. Dora werd niet uitgelaten. Dora liet hém uit.
Hij onderging de hitte, de goedzak. Voor zijn baasje. Omdat dit zo’n moment was waarop je ‘even
naar buiten gaat’. Onder de mensen. In een gesprek dat nergens over gaat en tegelijkertijd over alles.
“Mijn vrouw wilde altijd al een hond. Als ze ons nu kon zien…”
Hij raapte zichzelf bij elkaar.
“Kom, Door,” zei de man. “Dan gaan we nog wat drinken. Saampies.”
Ik stond ook maar op. Thuis waren ze vast niet meer duurzaam bezig. Ook aannemers voelen de
sociale druk van de zon heus wel.
Achter me klonk nog één keer: “Hachi!”
Maar Hachi kwam nog steeds niet.
En dat leek me volkomen terecht.